Ongelijkheid tussen vrijwilligersvergoeding bepaalde ploegsporten en regeling Vrijwilligerswet opgeheven
De Administratie heeft met haar circulaire van 6 januari 2010 een standpunt ingenomen over de discriminatie die er kon bestaan tussen vrijwilligers van ploegsporten en de algemene regeling zoals omschreven in de Vrijwilligerswet van 3 juli 2005.
Volgens de Vrijwilligerswet kunnen vrijwilligers een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangen van maximaal 30,22 euro per dag en maximaal 1208,72 euro per jaar. Deze bedragen zijn vrij van belastingen en RSZ op voorwaarde dat de maximumgrenzen per dag en per jaar niet overschreden worden.
Voor bepaalde ploegsporten (voetbal, basketbal, volleybal, hockey en handbal) bestaan er andere maxima. In sommige gevallen zijn de onkostenvergoedingen die hier ontvangen kunnen worden, lager dan de onkostenvergoeding die een vrijwilliger volgens de algemene Vrijwilligerswet kan ontvangen. Deze discriminatie leidde uiteraard tot heel wat vragen en onduidelijkheden.
Daarom heeft de Administratie met de circulaire van 6 januari 2010 (nr. Ci.RH.241/601.872 (AOIF Nr. 2/2010)) hierover een standpunt ingenomen. De Administratie verduidelijkt nu dat deze uitsluitingsmaatregel in het voordeel van de vrijwilliger moet worden geïnterpreteerd: zelfs wanneer een specifieke regeling geldt (bv. in een circulaire), mag de vrijwilliger toch de algemene regeling van de Vrijwilligerswet toepassen, indien deze algemene regeling voor hem voordeliger is.
Let wel: er zal nog altijd een keuze gemaakt moeten worden! Het is dus niet mogelijk dat de persoon in kwestie beide regelingen combineert.
Een voorbeeld: Volgens de specifieke fiscale regeling kan een vrijwilliger in het voetbal die de ploegtruitjes wast maximaal 15 euro ontvangen. Volgens de algemene regeling kan hij die dag 30,22 euro ontvangen. De vrijwilliger kan nu dus kiezen voor de algemene regeling, omdat dit hem voordeliger uitkomt. Hij moet er wel rekening mee houden dat, indien hij kiest voor de algemene regeling, ook het maximum jaarbedrag van 1208,72 euro niet overschreden mag worden.